Twee dagen waren we bij de grens tussen Oekraïne en Roemenië, Don Ceder en ik. Don belde me eind vorige week: hij wilde dolgraag aan de grens poolshoogte nemen en zo zijn werk als Tweede Kamerlid (ChristenUnie) voeden. Zelf wilde ik ook graag gaan, als campagneleider voor het Christelijk Noodhulpcluster van de actie “Oorlog in […]

Bij de grens tussen Oekraïne en Roemenië

Twee dagen waren we bij de grens tussen Oekraïne en Roemenië, Don Ceder en ik. Don belde me eind vorige week: hij wilde dolgraag aan de grens poolshoogte nemen en zo zijn werk als Tweede Kamerlid (ChristenUnie) voeden. Zelf wilde ik ook graag gaan, als campagneleider voor het Christelijk Noodhulpcluster van de actie “Oorlog in Oekraïne – geef voor noodhulp”. Don en ik zagen een win-win en besloten te gaan.

Jonge vrouwen met kinderen zien we de grens oversteken, vaak lopend. Geen mannen. Ouden van dagen in een rolstoel. We zien een vrouw met haar moeder, een aangelijnde hond en onder haar jas een kat. Bezittingen dragen ze in een koffertje of in plastic tassen. Aan de Oekraïense kant van de grens staan auto’s in de file. Zij die het Engels machtig zijn, vertellen over oorlog in hun woonplaats. Dat ze bang waren. Het vriest.

Vanaf de grens rijden bussen met vluchtelingen naar plaatsen waar een eerste opvang voorhanden is. Het Christelijk Noodhulpcluster betaalt er het eten en het drinken en de energierekening. Bijvoorbeeld bij een kerk, op een kwartier rijden van de grens. Ongeveer 40 personen brengen hier de nacht door, soms 2 nachten. Ook de vrouw met moeder, hond en kat blijkt daar een plek te hebben gevonden. Er is een warme douche. Eten en drinken. Een plek om te slapen. En het is er warm, heerlijk!

Een andere opvanglocatie is in een buurthuis, op drie kwartier rijden. Er werken 50 vrijwilligers en er logeren 80 vluchtelingen voor 1-3 nachten. Tot onze verrassing is hier ook een mannelijke vluchteling: Oleg. Het blijkt dat vaders van gezinnen met 3 of meer kinderen de grens wél over mogen. Dit gezin met 3 kinderen wil naar Spanje. Voor ze vertrekken vraagt Oleg of hij met ons mag bidden. ‘Dank u voor de veilige plek en de warme opvang’, bidt hij. ‘Amen’, zeggen wij.

Zij die nu kunnen vluchten, hebben klaarblijkelijk de middelen daartoe. Wij konden nog net hotelkamers boeken; de meeste kamers waren al geboekt door vluchtelingen, met auto’s op de parkeerplaats. Maar wij vragen ons af: zij die geen geld en auto hebben, waar moeten zíj naartoe wanneer hun woonplaats door explosies wordt bedreigd? Wie zal hen helpen?

Op de terugweg is het op het vliegveld van Iasi, in het noordoosten van Roemenië, druk met vluchtelingen. Wederom veel moeders met kinderen. Het vliegveld heeft in de vertrekhal een kinderhoek met speelgoed ingericht. Ook is er gratis eten voor wie het nodig heeft. We spreken kort met een Oekraïense moeder en een oma. Ze zwaaien hun (klein)dochter uit, die naar Warschau reist – een tiener. De drie houden het niet droog.

Ook ik houd het niet droog. Die vrouw met die kat onder haar jas. De behaaglijke warmte in het opvangcentrum na de kou bij de grens. Die oma die haar kleindochter uitzwaait. Diep van binnen ervaar ik het onrecht. Het maakt me razend. Én het zet me aan tot actie, onder andere dus met het Christelijk Noodhulpcluster. Ik ben thuis op het moment dat ik hier een punt zet. Ik wel.