Pasen na de genocide

Het is Paaszondag. Ik ben in Kigali, hoofdstad van Rwanda, in opdracht van ontwikkelingsorganisatie Red een Kind. Ik zie ernaar uit deze dag hier te vieren. Ik ben ook heel benieuwd. Hoe zal het zijn om het grote feest van verzoening en nieuw leven te vieren in een land dat 20 jaar geleden werd getroffen door een vreselijke genocide? Met mensen die moeten leven met het gemis van in totaal een miljoen kinderen, vrouwen en mannen? Die in een land samenleven met hen die daar verantwoordelijk voor waren?

’s Ochtends bezoek ik een Engelstalige kerk. Het gebouw lijkt op een grote schuur. Binnen staan veel houten banken. Op een groot podium staan muzikanten klaar. Op twee grote schermen worden de minuten en de seconden afgeteld tot 11.00 uur. Van links en van rechts komen de mensen binnen. Prachtig in de kleren, bijbel in de hand. Dan stopt het aftellen en barst de muziek los. De mensen springen op. Er wordt gedanst, geklapt, gejoeld. Er wordt gezongen. Over Jezus, die leeft. Die de dood heeft overwonnen. Die toekomst biedt. Die het waard is om geloofd te worden. Ik sta ertussen als een van de weinige blanken en besef dat ik niet erg beweeglijke heupen heb. Wel voel ik overal kippenvel! In de preek legt de voorganger verbanden door de hele bijbel met de opstanding van Jezus en past die praktisch toe. Mij raakt vooral het slot, waar hij een verband legt met de genocide: ‘In Rwanda is de dood die leven bracht, bedekt door de dood die pijn, wanhoop, duisternis en somberheid bracht.’ Hij nodigt de mensen uit hun vertrouwen te stellen op de Man die opstond uit de dood, om aan de mensen hoop te geven en leven.

’s Middags bezoek ik het Kigali Genocide Memorial Center, de nationale gedenkplek van de genocide. ‘Vroeger kende Rwanda geen etnische groepen. Er waren geen Hutu’s en Tutsi’s, maar Rwandezen.’ Zo ongeveer luidt de eerste tekst van de tentoonstelling. Daarna wordt zichtbaar gemaakt wat er echter is gebeurd. Hoe de etnische tegenstellingen scherper werden. Dat de Belgische kolonisator hierin een rol speelde, bijvoorbeeld door in 1931 een identiteitskaart met daarop ‘Hutu’ of ‘Tutsi’ verplicht te stellen. Welke onrusten en onlusten er in de loop van de jaren ontstonden. Hoe het uitliep op die vreselijke gebeurtenissen in 1994. In de week voor Pasen had ik met mijn vrouw twee films gezien over deze gebeurtenissen: ‘Hotel Rwanda’ en ‘Shooting dogs’. Erg aangrijpend vonden wij die. Nu ik in dit gedenkcentrum ben, grijpt het me opnieuw aan. Ik hoor getuigenissen van overlevenden. Hun verwanten zijn op een verschrikkelijke manier afgeslacht. Ik zie familiefoto’s van mensen die het leven hebben gelaten. Prachtige mensen. Geliefden. Maar ze zijn dood.

Ik merk dat ik van binnen erg boos ben. Op zoveel onrecht. Op al die pijn. Op het verschrikkelijke lijden. In Rwanda en ook in tal van andere landen. Razend ben ik op de machten die hierachter schuil gaan. Verward begeef ik mij naar buiten. Daar liggen de resten van meer dan 250.000 mensen begraven. Langzaam word ik weer wat rustig. Ik snap dat de regering er werk van maakt om af te rekenen met het verleden van etnische tegenstellingen. ‘Kwibuka 20’, staat overal in de stad op grote borden: herinner het je, voor de 20e keer dit jaar. Eronder staat het programma waar de overheid op inzet: ‘Herinner, verenig, vernieuw’. Had ik deze Paaszondag beter andersom kunnen plannen: eerst het gedenkcentrum, daarna de Paasdienst? Maar dan besef ik dat dit leven is. Geloven en hopen. Maar tegelijk het onrecht en de pijn blijvend ervaren. En op momenten iets proeven van herstel, eenheid en geliefd zijn. In de verwachting van meer.