Drie inzichten over vluchtelingen in de regio

Duizenden Nederlanders zijn zich in het afgelopen jaar gaan inzetten voor vluchtelingen. De meesten in Nederland, anderen op Lesbos, in Athene of bij Duinkerken. Zelf werkte ik voor ZOA, een organisatie die hulp biedt aan vluchtelingen in de regio. Gedurende het jaar verwierf ik drie belangrijke inzichten.

Inzicht 1: De regio is een stuk groter dan het Midden-Oosten

Een miljoen vluchtelingen kwamen vorig jaar naar Europa. Dat is veel. Maar wereldwijd zijn er meer dan zestig miljoen. Op elke twee vluchtelingen die wij in Europa ontmoeten, bevinden zich 98 elders in de wereld. Vanwege het grote aantal vluchtelingen uit Syrië is de term ‘opvang in de regio’ bijna synoniem geworden aan opvang in het Midden-Oosten. Maar de regio is een stuk groter.

In Nederland deden vorig jaar zo’n 59.000 een eerste asielaanvraag. Maar nog niet de helft van hen was van Syrische komaf. Na de Syriërs vormen Eritreeërs de grootste groep. Voor hen is bijvoorbeeld Ethiopië een land om naartoe te vluchten. Hoe bekend is het dat dit land in zijn eentje meer dan 700.000 vluchtelingen herbergt, uit onder andere Zuid-Sudan, Somalië, Eritrea, Sudan en Jemen?

Wereldwijd hebben veel landen op grote schaal met vluchtelingenstromen te maken. In Mexico en Centraal Amerika zijn miljoenen mensen ontheemd geraakt door geweld. Velen nemen de verraderlijke reis naar het noorden, naar de Amerikaanse grens, langs smokkelroutes die in toenemende mate beheerst worden door drugskartels. Het aantal kwetsbare en alleenreizende vrouwen en kinderen stijgt onrustbarend. In Colombia hebben binnenlandse conflicten geleid tot meer dan zes miljoen ontheemden. In Zuidoost-Azië hebben ook in het afgelopen jaar duizenden mensen uit Myanmar en Bangladesh op overvolle boten via zee geprobeerd naar veiliger plekken te vluchten.

Kortom, ‘de regio’ betreft vele landen in Zuid-Amerika, Afrika, Azië en Midden-Oosten. Laten we onze blik met betrekking tot vluchtelingen in de regio niet beperken tot onze achtertuin. Hulpverlening aan vluchtelingen is wereldwijd nodig.

Inzicht 2: Vluchtelingen in de regio zoeken steeds vaker hun heil in de steden

Het traditionele beeld van vluchtelingen in de regio is dat zij in vluchtelingenkampen wonen. Voor een deel is dat ook zo. In het kamp Dadaab bijvoorbeeld, in het oosten van Kenia, wonen 330.000 Somalische vluchtelingen, evenveel als het aantal inwoners van de stad Utrecht. In het kamp Zaatari in Jordanië staan 80.000 Syrische vluchtelingen geregistreerd, het inwonertal van Hilversum. Maar vandaag wonen meer vluchtelingen in stedelijk gebied dan in kampen.

Steden bieden een aantal voordelen. In kampen wonen mensen vaak jarenlang, zonder mogelijkheid aan hun toekomst te bouwen. Dat zorgt voor uitzichtloosheid. En het kan benauwend zijn. Je bent afhankelijk van organisaties; je bent (zeker als vrouw) niet altijd veilig; zomaar word je een prooi voor mensenhandelaren. De stad daarentegen biedt anonimiteit, onafhankelijkheid en meer economische kansen. Miljoenen vluchtelingen komen dan ook in steden terecht, vaak aan de rafelranden: in sloppenwijken, op bouwlocaties of op straat. Daar hebben zij te maken met dezelfde problemen als de lokale armen. Waar kan ik wonen? Hoe kom ik aan eten? Voor vluchtelingen komt daarbij dat ze het risico lopen gearresteerd en teruggestuurd te worden. Vaak hebben ze ook geen toegang tot onderwijs of gezondheidszorg.

Zelf bezocht ik Addis Ababa, de miljoenenhoofdstad van Ethiopië. Duizenden jonge Eritrese vluchtelingen zoeken in deze stad hun toevlucht. ZOA heeft er een proefproject gestart om deze stedelijke vluchtelingen te ondersteunen. Dat gebeurt ook in Kabul (Afghanistan) en Irbid (Jordanië). In de beeldvorming is het tijd voor een update. Vluchtelingen zijn niet synoniem met tenten. Vluchtelingenorganisaties dienen nieuwe wegen te vinden om in deze realiteit hulp te bieden.

Inzicht 3: De helft van de vluchtelingen in de regio is kind

De helft van de vluchtelingen zijn kinderen. Dat zijn er evenveel als de inwoners van New York, Londen, Bangkok en Rio de Janeiro bij elkaar. Velen brengen hun hele jeugd ver van huis door. Zij lopen gevaar op verwaarlozing, geweld en uitbuiting. Velen van hen hebben trauma’s omdat ze getuige zijn geweest van geweld of daar zelf onder hebben geleden. Tegelijk zijn kinderen extra veerkrachtig en weten ze creatieve wegen te vinden om de situatie het hoofd te bieden. Door te leren, te spelen en hun talenten en vaardigheden te ontwikkelen, spelen zij een belangrijke rol in de vluchtelingengemeenschappen.

Een grote zorg ten aanzien van kindvluchtelingen is dat zo weinig van hen naar school gaan. Van de 600.000 Syrische kindvluchtelingen in Turkije gaat slechts een derde naar school. Hierdoor dreigt een ‘verloren generatie’ te ontstaan. Zonder hoop op een betere toekomst zullen ouders hun leven riskeren door terug te gaan naar hun land van herkomst of een gevaarlijke reis naar Europa maken.

Als we willen voorkomen dat nog duizenden vluchtelingen extra zich zullen melden aan onze grenzen, zullen er veel meer faciliteiten voor onderwijs in de regio moeten komen. Een belangrijker motief is wat mij betreft de overtuiging dat elk kind de kans zou moeten krijgen om zich door middel van onderwijs te ontwikkelen.

In 2015 gaf ik leiding aan de afdeling Fondsenwerving en Voorlichting van ZOA, een internationale organisatie voor hulp aan mensen die getroffen zijn door een gewapend conflict of natuurramp. Deze blog is de laatste in een serie van vier en werd gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 8 februari 2016.