We rijden door een klein dorpje net iets buiten Addis Ababa, de hoofdstad van Ethiopië. De huisjes hier zijn gemaakt van lemen muren en golfplaten daken. Wat is het druk op straat! Een krioelende massa mensen. Een grote vrachtwagen komt de hoek om en blokkeert het verkeer. Alleen ezels kunnen nog passeren. We staan stil.…

Het zijn prachtvrouwen

We rijden door een klein dorpje net iets buiten Addis Ababa, de hoofdstad van Ethiopië. De huisjes hier zijn gemaakt van lemen muren en golfplaten daken. Wat is het druk op straat! Een krioelende massa mensen. Een grote vrachtwagen komt de hoek om en blokkeert het verkeer. Alleen ezels kunnen nog passeren. We staan stil. Kijken naar de kleine winkeltjes. ‘Ruik jij wat ik ruik?’ Rioollucht. Plotseling voelen we overal vliegjes.

We ontmoeten Americh. Ze is 38 jaar oud en moeder van vijf jonge kinderen. Ze ziet er vrolijk uit met haar kleurrijke bloemetjesjurk, roze vest en op haar hoofd een sjaal in dezelfde print als haar jurk. Haar huisje is een eenkamerwoning. We zijn gaan net zitten op haar bloemetjesbank als we ineens zien dat er nog iemand in het huisje is. In een bed ligt een oudere man. Het is haar schoonvader.

Americh kan niet meer rechtop staan. Dat komt omdat ze zeven jaar lang (zes dagen per week, tien uur per dag) takkendraagster is geweest. Ze liep de berg op, zocht takken en bladeren bijeen, maakte daar een groot pakket van (van rond de tachtig kilogram), liep de berg weer af en verkocht het takkenpakket in het dorp. De tocht was lang en zwaar en bovendien gevaarlijk. Geregeld worden takkendraagsters verkracht of mishandeld.

Wat leverde dit zware beroep op? ‘Niet veel,’ vertelt Americh. ‘Meestal kreeg ik 20 Birr per bos, soms 25.’ We rekenen het om naar euro’s: minder dan een euro. ‘Ik haatte mijn werk. Het was loodzwaar. En het bracht niet eens genoeg op om mijn kinderen genoeg te eten te geven. Laat staan dat mijn man en ik ook nog voor mijn schoonouders kunnen zorgen.’ Twee keer is Americh gevallen en bewusteloos geraakt. Nog steeds slaapt ze slecht door chronische rugpijn.

Via een vriendin hoorde Americh over hulp- en ontwikkelingsorganisatie Dorcas. Ze volgde een training tot weefster en verdient nu zo’n 100 Birr per dag. Met dit salaris kan ze zelfs een beetje sparen, wat trouwens een verplichting is als je door Dorcas getraind wordt. Op termijn kan ze investeren in haar droom: een eigen winkeltje met huishoudelijke spullen.

De genoemde vriendin ontmoeten we ook. Delbeeze heet ze, 47 jaar, weduwe. Zeven jaar geleden overleed haar man. Gelukkig zorgde haar vader toen voor een huisje voor haar en haar vier kinderen. Ook zij was takkendraagster. De tocht naar boven op de berg en terug naar het dorp liep zij tweemaal per dag. ’s Ochtends rond drieën vertrok ze, rond negenen was ze dan terug, rond vijven voor de tweede keer. Vijftien jaar hield ze dit vol.

Delbeeze vertelt hoe ze via Dorcas leerde spinnen en weven. Hoe ze het beste wenst voor haar kinderen. Dat zij zelfstandig moeten worden en voor zichzelf op moeten komen. Voor zichzelf hoopt ze op termijn op ander werk, omdat ze bij het weven veel pijn ondervindt van de fysieke wonden uit het verleden. Aan het einde van het gesprek gaat ze staan. Statig bijna! Ze begint te lachen. Wij lachen mee.

De pijn uit het leven van beide vrouwen raakt ons. Hun doorzettingsvermogen raakt ons nog meer. Allermeest geraakt zijn wij door hun veerkracht. Het zijn prachtvrouwen.

Als Dorcas geloven wij dat ieder mens waardevol is en talenten heeft ontvangen. Wij maken blijvende verandering mogelijk in het leven van de allerarmsten. Wil jij dat ook mogelijk maken?