Liever zou ik teruggaan, als dat kon

,,Ik woon nu een maand in een vluchtelingenkamp in Ethiopië. We delen een huisje met zeven vrienden.” Aan het woord is Kewani, zeventien jaar. We spreken hem in een vluchtelingenkamp in de buurt van Shire, een provinciestad in het noorden van Ethiopië. Hij is hierheen gevlucht uit het buurland Eritrea. Of hij terug wil naar Eritrea? ,,Dat is geen optie. Na school moet je het leger in. Ik heb een broer in Duitsland. Hij woont er nu twee jaar en is bezig de taal te leren. Mijn plan is om hier in het kamp mijn school af te maken: Engels leren en dan dóór. Mijn broer heeft me verteld over zijn reis via Sudan, Libië, over de Middellandse Zee. Over de mensen die verdronken in de Middellandse zee. Vreselijk. Hij wil dan ook dat ik hier blijf. Maar ik ga toch. Ik ben niet bang, ik kan ook hier dood gaan, dan waag ik het er liever op.”

Het verhaal van Kewani staat niet op zichzelf. De Eritreeërs lijden onder een van de meest onderdrukkende regimes ter wereld, en de bevolking is ook nog eens straatarm. Kinderen vanaf vijftien jaar krijgen militaire training. Alle mannen en vrouwen vanaf achttien jaar moeten in dienst: in het leger en werken voor de overheid. Officieel voor achttien maanden, maar in de praktijk laat de Eritrese regering je pas weer gaan wanneer je niet langer van nut bent. Alleen vrouwen die kinderen hebben, hoeven niet in dienst, daarom trouwen veel meiden al op jonge leeftijd. Alleen weten ze dan vaak niet eens waar hun mannen zijn, laat staan dat ze via hen inkomen kunnen ontvangen. Eritrea wordt wel het Noord-Korea van Afrika genoemd.

Eritreeërs slaan dan ook massaal op de vlucht. Ze vormen na de Syriërs de grootste groep vluchtelingen die momenteel naar Nederland komen. Op dit moment vangt het COA ruim vierduizend Eritreeërs op. Toch is het slechts een klein deel van de Eritrese vluchtelingen dat naar Europa komt. Een veel groter deel zoekt zijn toevlucht tot andere Afrikaanse landen, bijvoorbeeld Ethiopië. In Ethiopië verblijven op dit moment in totaal 130.000 Eritrese vluchtelingen en dit aantal stijgt snel.

We spreken ook met Argudi, vijftig jaar (zie foto). Samen met zijn vrouw, hun drie zoons en zijn schoonmoeder woont hij in een uitgewoond appartement zonder stromend water in Shire. ,,Ik was 28 jaar in dienst, op een boerderij van overheidsfunctionarissen”, vertelt hij. ,,Op de boerderij werden tomaten, aardappels en fruit en verbouwd. Maar als wij ook maar één vruchtje meenamen, werden we gearresteerd en vastgebonden in wat wij noemden de ‘acht’: handen en voeten samengebonden boven de heupen. In die 28 jaar kreeg ik zes keer vrijaf om naar mijn vrouw en gezin te gaan, zes maal twintig dagen. Tussen de geboortes van onze kinderen zit dan ook een jaar of vijf. Uiteindelijk zijn we ontsnapt. Eerst mijn vrouw en kinderen, ik ben later gevolgd. Vrienden hadden ons geïnformeerd over de route en de problemen die we onderweg zouden tegenkomen. We vluchtten lopend, met een groep van twintig mensen. We wisten dat als de soldaten ons zouden zien, ze ons zouden neerschieten. We wonen hier nu 3,5 jaar. Naar Europa hoef ik niet, liever zou ik teruggaan naar Eritrea, als dat kon.”

Onder de indruk van deze verhalen besef ik dat we in Nederland slechts een flard meemaken van de wereldwijde vluchtelingenproblematiek. Een miljoen vluchtelingen kwam in het afgelopen jaar naar Europa. Dat is onvoorstelbaar veel. Maar wereldwijd zijn er op dit moment meer dan 60 miljoen vluchtelingen. Dat betekent dat op elke drie vluchtelingen die wij in Europa zien, er 97 in ‘de regio’ verblijven, onder andere in Ethiopië. In 15 landen in Afrika, Azië en Midden-Oosten werkt ZOA aan hulp, hoop en herstel voor deze vluchtelingen, zonder aanzien des persoons. Persoonlijk voel ik mij dankbaar dat ik daar in het afgelopen jaar een kleine bijdrage aan mocht geven.

In 2015 gaf ik leiding aan de afdeling Fondsenwerving en Voorlichting van ZOA, een internationale organisatie voor hulp aan mensen die getroffen zijn door een gewapend conflict of natuurramp. Samen met ZOA-collega’s Henrieke Buit en Nathalie Eilander bracht ik een werkbezoek aan Ethiopië. Deze blog is de tweede in een serie van vier en werd op 19 januari 2016 gepubliceerd in het Friesch Dagblad.