Frisheid bij ontwikkelingssamenwerking

Donderdagavond 16 februari. Ik vind mijn plekje in de grote zaal van het Tropeninstituut in Amsterdam, tezamen met maar liefst 449 anderen. Hier vindt het Grote Verkiezingsdebat over Migratie en Internationale Samenwerking plaats. Vertegenwoordigers van zes politieke partijen doen mee. En een zaal vol mensen. Veel jonge mensen! Met mijn leeftijd van 49 behoor ik duidelijk tot de senioren.

Onwillekeurig gaan mijn gedachten naar een avond in de Rode Hoed in Amsterdam. Is het vijf jaar geleden? Daar was toen een debat over vergelijkbare thema’s als gisteravond. Ook toen was de zaal vol. Maar met een volslagen ander publiek. Het feit dat ik toen zelf ook vijf jaar jonger was, verklaart in de verste verte niet dat ik toen onmiskenbaar tot de junioren behoorde.

Wat is er in de tussentijd gebeurd? Ik stel deze vraag na afloop aan Joël Voordewind, deelnemer aan het debat namens de ChristenUnie. ‘Oh, hier zullen gewoon veel studenten zijn. En de organisator van de avond, Vice Versa, heeft een groot netwerk onder jonge mensen. Maar wacht, nee, wat natuurlijk een belangrijk feit is: het hele thema ontwikkelingssamenwerking is veel dichterbij gekomen. Er staan nu allemaal vluchtelingen bij ons voor de deur!’

Debatleider Frénk van der Linden somt de uitkomsten van de CPB-berekeningen op. Deze zijn enkele uren voor het debat bekend geworden. De bedragen die de partijen meer of juist minder willen uittrekken voor ontwikkelingssamenwerking zijn (in miljarden euro’s): GroenLinks (+2,1), PvdA (+2), ChristenUnie (+1), SP (+0,5), CDA (+0,2) en VVD (-2,7). De negatieve trend van de afgelopen jaren wordt gekeerd. In plaats van bezuinigen willen velen weer investeren.

Het debat gaat vervolgens over het Syrië-conflict, opvang in de regio, Griekenland, de samenhang tussen hulp en handel. Twee thema’s raken mij speciaal.

Eén: de meest kwetsbaren. We kunnen spreken over ontwikkelingssamenwerking waarbij de relatie tussen ‘helper’ en ‘ontvanger’ gelijkwaardig is en wederzijds. We kunnen het hebben over hulp en handel en de interessante chemie tussen die twee. Maar waar is aandacht voor de mensen die het desondanks niet redden? Voor de meest kwetsbaren? Wie zorgt voor sociale vangnetten voor deze mensen? En ik denk: wat een voorrecht dat ik in het afgelopen jaar verbonden ben geraakt aan Dorcas, die de aandacht voor juist deze mensen de jaren door heeft geademd.

Twee: hoe bereik je als overheid de mensen in de marge? Geweldig dat grote internationale organisaties als de Verenigde Naties voor zoveel mensen ondersteuning bieden. Maar welke organisaties bereiken ook de mensen in de marge van de Afrikaanse gemeenschappen, aan de rafelranden van de Europese samenleving? Antwoord: vaak zijn dit de NGO’s. Zij zitten in de haarvaten van de lokale samenlevingen. De afgelopen jaren werkte ik ook voor Red een Kind en ZOA, en nu dus voor Dorcas – drie voorbeelden van dergelijke organisaties. Ik vind het een voorrecht op deze manier een bijdrage te mogen leveren aan de kwaliteit van leven van zoveel mensen in de marge.

Blij ben ik met de hernieuwde aandacht voor ontwikkelingssamenwerking. De twee bovengenoemde thema’s heb ik weer goed scherp. Heel plezierig dat Joël Voordewind hier steeds weer aandacht voor vraagt, in de Kamer en in het land. Concreet resultaat hiervan is dat een belangrijk deel van het geld dat de Nederlandse overheid apart zet voor noodhulp, besteed wordt middels NGO’s. En verrast ben ik door zoveel frisheid bij het publiek van deze avond.